Op deze pagina vindt u artikelen welke in het verleden in het clubblad hebben gestaan.
Als eerste een kweekverslag van Willem Wijkhuizen uit 2005:
Het gaat best goed met de kanariekweek al heb je er altijd wel een paar bij die het even niet doen omdat ze om wat voor reden ook er nog niet klaar voor zijn. Ik heb met de eerste/tweede ronde nog in volle gang al 65 jongen geringd, waarvan al een tiental apart geplaatst in een klein vluchtje met een goed voerende man om ze de eerste dagen even op gang te brengen in deze vreemde omgeving.
Voordat ze in de vlucht komen gaan ze eerst even in een dubbele broedkooi zodat ze de voerbak kunnen vinden en niet verzuipen in de voor hen grote kooi. Zelfs de poppen waar ik mee geshowd heb zijn aan de leg of een nest aan het bouwen. Dat valt dus alles mee.
Ik heb tijdens de wereldshow een mooi koppel Italiaanse zwart-gelen gekocht met heel mooie rug- en flankbestreping die na een paar weken in het licht te hebben gezeten toch twee poppen blijken te zijn (een kleinigheidje) dus maar bij elk een man erbij gezet en afwachten maar of dat voor nageslacht wil zorgen. Deze allochtonen zijn wel miniatuur kanaries vergeleken bij mijn vogels. Ze hebben de grootte van een Raza Español, maar je moet wat als je volgend jaar mee wil doen gezien de nieuwe standaardeisen.
Het bijvoeren met de voerspuit bevalt me wel. Het is niet dat ik constant met de spuit loop bij te voeren. Nee, alleen als ik zie dat de krop leeg is en dat ik het niet vertrouw dan krijgen ze een beetje bijgespoten. Ik heb daardoor wel minder uitval dan vorige jaren dus dat moet wel een vervolg hebben. De reserve pastel pop heb ik toen ik zag dat ze ging slepen maar in een vluchtje gedaan met een man erbij, want je houdt de natuur niet tegen. Zij wil ook eieren leggen en met succes, want ze heeft nu vier jongen die ze goed voeden met zijn tweeën. En dat terwijl ik normaalgesproken de man weghaal. Het is wel een vertederend gezicht als je de man de pop ziet voeren die dat later weer doorgeeft aan haar vier jongen. Ja, daar kan je dan bij wijze van spreken wel uren naar kijken.
Ik heb ook drie poppen (twee Agaatgeel en één Zwartgeel) die niets deden uit de broedkooi gehaald en met een intensief geel agaat man er bij in een vluchtje gezet om te kijken of dat nog wat wil worden. Ik heb daar niet zoveel vertouwen in, maar ja, doen ze toch wat, dan is het meegenomen (de Agaten zitten maar op het nest, maar eieren leggen ho maar. Bij de Zwartgele heb ik 3 eieren waarvan er 1 bevrucht is). En ik had meteen ruimte voor mijn 2 nieuwe Italiaanse poppen.
Ik heb dit seizoen ook het geluk gehad om in het bezit te komen van drie Spaanse mannen. Twee intensieven en één schimmelman. Die heb ik bijna gelijk bij een paar poppen gezet die klaar waren voor een man. Met als resultaat dat ik van de schimmelman één nest van vijf jongen en één nest van één jong heb. Van een intensieve één nest van drie jongen. Bij mijn schimmel Italiaan heb ik drie jongen van mijn eigen top man, waarvan er één later een gebroken pootje had na het ringen. Hoe dat komt begrijp ik nog steeds niet. Van de intensieve heb ik twee eieren ondergebracht bij een Agaatpop, want twee eieren uit laten broeden door die pop vond ik een beetje zonde. Ze heeft nu een andere partner gekregen; een vurige Spaanse man mag haar nu bekoren, en met resultaat. Vandaag raapte ik bij haar ook weer het eerste eitje.
Dat het ook met problemen kan gaan merkte ik twee weken geleden toen er een Agaatpopje met een natte buik op haar jongen zat. Omdat een kanarie niet kan zweten, dacht ik meteen aan de zweetziekte. Dat is een darminfectie bij de jongen. Zeg maar diaree, wat op den duur dodelijk is voor de jongen. Ze missen dan ook dat vliesje wat normaal bij de jongen om de ontlasting zit en het hele nest is dan geel van de mest. Ik heb ze meteen overgezet in een ander schoon nestje wat ik zelf gemaakt heb door met een gloeilamp een paar ronde bewegingen te maken om zo de ronde vorm in het nest te krijgen. Snel ingegrepen dus en ze een kuurtje gegeven met esb-3. Dat sloeg gelukkig aan met het gevolg dat ik nu twee jongen op stok. Eentje die een beetje achterbleef is uiteindelijk doodgegaan. Maar daar wil ik de darminfectie niet de schuld van geven. Meer het feit dat de kleinste vogels naar beneden getrapt worden door de grotere en sterkere broers en zusters in het nest.
Groet,
Willem
Mijn ervaringen met de hoodedparkiet
De hoodedparkiet mag met recht een van de meest bijzondere en spectaculaire parkieten uit onze hobby worden genoemd. Vooral de zeeblauwe lichaamskleur van de man, samen met zijn zwarte pet en rug, is zeer bijzonder en spectaculair.
De hoodedparkiet broedt in onze wintermaanden, het broed seizoen voor hoodedparkieten loopt van oktober tot maart. De hoodedparkieten worden verdeeld in twee soorten broeders, najaarsbroeders en voorjaarsbroeders. De tijd van het jaar waar ze in broeden is afhankelijk van de tijd waar in ze worden geboren. Vogels die in het najaar worden geboren, zullen dus ook in het najaar gaan broeden en voorjaarsvogels in het voorjaar. Als er een koppel wordt samengesteld van een najaarsbroeder en een voorjaarsbroeder dan zullen hier in 9 van de 10 gevallen geen jongen van komen en het zal ook zeker niet klikken, omdat de vogels in een andere tijd van het jaar in broedstemming komen.
Doordat de vogels in onze koude maanden broeden, moet de nestkast van zeer dik materiaal worden gemaakt of geïsoleerd worden, om de warmte in de nestkast goed vast te houden. Ook moet de nestkast worden voorzien van een warmteplaatje of een warmtestaaf of iets dergelijks. Dit warmte element kan worden bevestigd aan de buitenkant van het nestblok of aan de binnenkant ( dit is in mijn ogen beter ). Het beste kan het dan worden bevestigd aan de zijkant van de nestkast en niet aan de onderkant. Niet aan de onderkant, omdat warme lucht opstijgt en de onderkant van de deksel gaat condenseren en de druppeltjes vallen dan op de jongen en die krijgen het dan koud, met alle gevolgen van die.
De verwarming hoeft niet direct bij het eerste ei aan, maar kan wachten tot de jongen een dag of 10 oud zijn. De moeder gaat tegen die tijd ’s nachts van het nest af en houdt de jongen dan niet meer warm. Voor die tijd blijft de moeder ’s nachts op het nest en houdt de jongen zelf goed warm.
In de vrije natuur broeden hoodedparkieten in een termietenheuvel. De vogels graven zelf een gang van 15 tot 25 cm en maken aan het eind een nestplaats om te broeden. Hierdoor moeten onze nestkasten ook worden voorzien van een gangetje voor de nest opening van ongeveer 15 tot 25 cm. De maten van de nestkast zijn ongeveer de volgende: 30x17x17 cm. En het invlieggat moet ongeveer 6 cm zijn. En het tunneltje 15/25x 7 x 7.
In het voorjaar van 2005, om precies te zijn begin april, kreeg ik de mogelijkheid om een zeer mooi koppel overjarige hoodedparkieten te kopen. Beide vogels waren najaar vogels. Het enige probleem was dat de vogels in België zaten en ik er op een door de weekse dag heen moest om ze op te halen. Ik ben toen zo brutaal geweest om een mooi meisje uit mijn klas mee te vragen en ze is tot op heden mijn vriendin, dus de reis was geen enkel probleem.
De man van het koppel was een zeer mooie vogel van 2000 en de pop was van 2002 en ook zeer mooi. Het viel mij direct op dat beide vogels zeer fors van formaat waren en in een uitstekende conditie en de koop was dus ook snel gesloten. Ik heb bij de koop ook nog twee speciale broedblokken voor hoodedparkieten kunnen afdingen en was hier ook zeer blij mee.
De vogels werden gehuisvest in een volière bij mij thuis. De afmetingen van deze volière zijn 250cm x 60cm x 200cm l.b.h. Hieraan vastgekoppeld zit een nachthokje van 60 x 60 en twee meter hoog en is afgeschermd van de volière door een plaat van 80 cm. De vogels kunnen vrij in en uit vliegen. In het nachthok is de nestkast opgehangen, maar vanaf de eerst dag viel het mij op dat de vogels alleen maar binnen zaten om te eten en verder helemaal niet. Ik dacht dat wordt wel anders als ze in broedstemming komen. Het werd najaar 2005 en het koppel begon elkaar te voeren en te treden en de man begon heel erg te baltsen, maar ze gingen niet in het binnenhok en naar de nestkast keken ze al helemaal niet om.
In de zomer van 2006 heb ik de nestkast buiten gehangen en een andere binnen. Als het ene niet wil, dan het andere wel.
En in oktober was ik zeer gespannen of ze nu wel interesse in de nestkast hadden. En ja hoor, begin oktober voeren en baltsen en treden. En zo op een dag was de pop weg en ik kon haar nergens vinden. Ik heb toen nog even voor de volière gestaan en zag een staart uit het tunneltje van de nestkast komen. En ik wist waar de pop was.
Drie weken later heb ik nog eens gekeken en tot mijn zeer grote vreugde zag ik 5 eieren in de nestkast liggen. Ik heb toen mijn schouwlampje er bij gepakt en de verassing werd alleen maar groter. Ze waren alle 5 bevrucht.
Na ongeveer 21 dagen kwamen de eieren uit en 5 zeer levendige jongen mocht ik verwelkomen. Alles ging prima totdat ik op de negende dag ’s morgens bij het hok kwam en zag dat de pop van het nest was en ik had de verwarming nog niet aan gedaan, omdat ik niet had gedacht dat de pop al van het nest zou gaan. Met een bonzend hart deed ik het nest open en zag tot mijn grote schrik dat alle jongen de nacht niet overleefd hadden. De pop was dus al de hele nacht van het nest geweest en het was te koud die nacht voor de jongen om elkaar warm te houden. Een hele goede les voor mij en ik doe de verwarming de volgende keer al op de 5e of 6e nacht aan om elk risico te vermijden.
Op het moment van het schrijven van dit verhaal ( sinterklaas ) heb ik gelukkig weer drie bevruchte eieren. En deze keer hoop ik met alle kennis uit de eerste ronde, de jongen wel groot te krijgen.
De hoodedparkiet is geen vogel voor beginners, maar de aanhouder wint!!!
Met vriendelijke vogelgroeten,
Jeroen de Roo lid van Vogelvrienden Crescendo te Emmercompascuum
Couscous door Willem Wijkhuizen
Couscous lijkt op griesmeel maar wordt gemaakt van een harde tarwe. Het meel wordt vermengd met water, vervolgens wordt dit gedroogd en vermalen tot grof meel. In het Marokkaans is couscous bekent als smida of het franse woord semoule. Couscous wordt vooral gegeten in landen rondom het Middellandse zee gebied, Noord-Afrika, beneden, maar vooral boven de Sahara. Hoe verder richting het Midden-Oosten hoe minder vaak couscous wordt gegeten. Couscous wordt door de Marokkanen regelmatig op vrijdag middag gegeten na het middag gebed, en om dan te worden gegeven aan de armen. Couscous heeft dan ook een belangrijke culturele betekenis.
In landen van Noord-Afrika wordt couscous als het nationale gerecht beschouwt, zoals rijst is voor Aziatische landen en aardappelgerechten voor westerse landen.
Couscous wordt als maaltijd in een speciale 2 delige pan gestoomd met het vlees en de groenten vaak boven op de couscous. In de vogel wereld is de couscous ook ontdekt omdat het veel vocht absorbeert en zo het eivoer langer vochtig kan houden zodat het de hele dag lekker vochtig aanvoelt, terwijl het normaal heel gauw uit droogt en dan slecht op genomen wordt door de vogels. Ik gebruik 1 deel couscous en 1 deel warm water wel of niet vermengd met een klein scheutje roosvicee maar dat ligt aan de behoefte van de kweker. Na een 10 minuten is het water opgenomen en mocht er daarna nog water bovenop liggen, giet ik dat er af en laat het nog even staan. Daarna pak ik 2 a 3 delen eivoer en 1 deel tarwekiemen (reformzaak) en vermeng dat met de couscous zodat ik 1 homogene massa krijg. ( In couscous zit geen tarwe kiemen en ik geef kiemen omdat ik geen gekiemd zaad geef en dan toch aan de behoefte van de jongen voldoe.) Dit geef ik dan aan mijn vogels. Ik geef een dubbel portie als dat ik normaal zou doen aan mijn vogels omdat het de hele dag goed blijft. Ook geef ik er een klein stukje zure appel door, omdat appel zelfs de slecht voerende poppen de jongen goed doen voeren. In appel zit de stof Pectine met name in en net onder de schil. Als deze stof in aanraking komt met andere voedingstoffen als eigeel, brood, beschuit enz. wordt het dikker en begint iets te gisten waardoor de kropfunctie van de vogels verbeterd en het voerinstinct beter activeert. Couscous is te verkrijgen bij de Turkse winkel of bij de grote supermarkten zoals Albert Heijn.
Willem Wijkhuizen
Nieuwe, nog onbekende mijt slaat toe.
Dit voorjaar is er in de provincie Vlaanderen in België een zeer schadelijke mijt opgedoken waardoor een vogelliefhebber in zeer korte tijd vrijwel zijn gehele levenswerk uitgeroeid zag worden. De man dacht te maken te hebben met de gewone bloedmijt (Dermanyssus gallinae) en had hiertegen Dutchy’s® uitgezet. De hoeveelheden schadelijke mijten in de nesten bleven echter explosief toenemen met veel dode jongen tot gevolg. Toen er plotseling ook grote aantallen volwassen dieren stierven werd de noodklok geluid en startte Refona een onderzoek. Lees meer. Er werd een monster van de mijten naar het KAD (Kennis centrum voor dierplagen) te Wageningen gezonden ter determinatie. Hier bleek het te gaan om de Noordelijke kippenmijt (Ornithonyssus sylviarum). Deze mijt is sterk verwant aan de zwarte luis (Ornithonyssus bursa) en wordt in de gematigde klimaatzones in de wereld aangetroffen op kippen en verschillende soorten wilde vogels. Tot dusver waren er nog geen meldingen bekend van aantastingen bij volièrevogels, maar daar is nu dus verandering in gekomen. De Noordelijke kippenmijt heeft de uiterlijke kenmerken van de “gewone” bloedmijt en houd er grotendeels dezelfde leefwijze op na. Zijn ontwikkelingssnelheid licht echter veel hoger waardoor er veel sneller een enorme populatie kan ontstaan. Hij houd zich in het broedseizoen met name op in de nesten en op het lichaam van de volwassen vogels. Hier zijn ze te vinden rond de aarsopening, op de stuit en onder de vleugels. Doordat de huid van de vogels hierdoor erg zwak wordt ontstaan er open wonden waardoor zeer snel infecties kunnen ontstaan. Hierdoor zal er vrij snel sterfte optreden onder de jongen, maar ook bij de oudere vogels. Omdat er vrij veel gehandeld wordt in vogels tussen o.a. Nederland en België kunnen we er het beste vanuit gaan dat deze mijt zich inmidde! ls ook in Nederland heeft gevestigd. Meer informatie vind u op onze website.
Bron: www.refona.nlNorwich kanarie.
De Norwich kanarie is al een oud Engels postuurkanarieras. Het ontstaan van dit ras is moeilijk te achterhalen. In diverse beschrijvingen wordt een verband gelegd met protestanten uit Vlaanderen, die onder druk van de Spaanse Inquisitie in de 17de eeuw naar Engeland vluchtten. Zij vestigden zich o.a. in het graafschap Norfolk en dan vooral rond de plaats Norwich. Naast dat zij hun ambachtelijke vaardigheden meenamen, het waren vooral textielwevers, werden ook de kanaries meegenomen.
Het houden van kanaries was in die tijd al verbreid over grote delen van Duitsland en Nederland. Nu zal het houden van kanaries voor deze vluchtelingen wel niet de hoogste prioriteit hebben gehad. Toch ontstaat de situatie, dat in het begin van de 19de eeuw de voormalige vluchtelingen en hun vreemde kanaries door de Engelse bevolking volledig zijn geaccepteerd en een integratie heeft plaatsgevonden, wat tot gevolg heeft, dat ook de Engelse vogelliefhebbers deze "Vlaamse kanaries" gaan kweken.
Een andere benadering over het ontstaan van de Norwich kanarie gaat uit van het verband dat er ligt tussen de Franse Hugenoten, die in nagenoeg dezelfde periode ook naar Engeland vluchten en dan hun Lizard kanaries meenemen. Vanuit de Lizard, via de London fancy en de "gewone" kanarie, zou de eerste Norwich zijn ontwikkeld.
Uitgaande van het toen aanwezige kweekmateriaal kan worden vastgesteld, dat de Norwich destijds een kleine, slanke vogel was met mogelijk al een wat rondere ruglijn en daarbij veelal bont zal zijn geweest. De kweek van de vogel is in ieder geval gestart in Oost-Engeland en de vogel heeft de naam gekregen van de stad Norwich, hoewel ze tegenwoordig op een veel grotere schaal in andere delen van Engeland worden gekweekt.
Gedurende de laatste 200 jaar is de kweekrichting van de Norwich nogal eens veranderd, hoewel we dit ook zien bij andere Engelse rassen. Het verbeteren van de Norwich vond plaats via kruisingen met o.a. de grotere Lancashire, terwijl ook gericht werd gekweekt met schimmelvogels. Het resultaat gaf grotere vogels en een vollere bevedering. Hieraan kleefden ook nadelen. De vogels werden te groot en de bevedering werd te lang, wat spoedig allerlei vervelende bijverschijnselen opleverde, zoals het optreden van de z.g. lumps. Toch is, als gevolg van het gericht kweken en ook het tussentijds corrigeren van foutieve kweekrichtingen door ervaren en kundige vogelliefhebbers, het type ontstaan zoals we dit nu kennen. De Norwich werd in Engeland zo populair, dat al in 1901 de Norwich Plainhead Club (NPC) werd opgericht, een organisatie, die nu nog steeds actief is. Vooral het oprichten van specialclubs heeft een positieve bijdrage geleverd aan het tot stand komen van een duidelijke kweekrichting en het opstellen van standaardeisen, die ook internationaal erkenning vonden.
Opmerkelijk is, dat de in 1901 opgerichte specialclub zo nadrukkelijk het woord "plainhead" gebruikt. Hiermee wordt de niet-gekuifde Norwich bedoeld, terwijl er in die tijd toch ook de Norwich crested en de crestbred werden gekweekt, dus gekuifde en kuif- broed vogels. De gekuifde Norwich is zelfs nog tot 1981 opgenomen geweest in de standaardeisen van de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers. Nu wordt alleen de gladkop (plainhead) Norwich als ras erkend.
De Norwich onderscheidt zich van de andere postuurkanarierassen door de vorm van het lichaam, in nauwe samenhang met de grootte. Daarnaast kenmerkt het ras zich door de kwaliteit van de bevedering. De beschrijving van de vogel kan het best worden gegeven vanuit de diverse aanvaarde standaardeisen:
• De vorm van het lichaam is ten opzichte van de grootte kort en gedrongen met een goed volume. De borst is breed en vol, waarbij geen insnoering van de bevedering nabij het borst- been aanwezig mag zijn. De totale borstlijn is rond, ook de ruglijn is enigszins rond. De afstand tussen de ruglijn en de borstlijn geeft de vogel een baleffect en is maatgevend voor de juiste afmetingen van het lichaam.
• De kop is groot, breed en rond, te beginnen vanaf de snavelbasis. Vanaf een stukje "voorhoofd" boven de snavel is de lijn naar de nek toe een ononderbroken boog. De gesloten bevedering op de brede kopvorm geeft boven de ogen de indruk van "wenkbrauwen". Deze mogen niet te zwaar worden waardoor de ogen nauwelijks meer zichtbaar zijn.
• De snavel is kort en kegelvormig.
• Hals en nek zijn kort, vol en dik, waardoor er nauwelijks een insnoering aanwezig is tussen de kop en de romp.
• De vleugels moeten niet te lang, maar eerder in overeenstemming zijn met het volume van het lichaam. De vleugels moeten goed gesloten gedragen worden, zonder dat ze elkaar op de rug kruisen. Afhangende vleugels zijn een fout kenmerk en wijzen vaak op een onvoldoende volume van de rug.
• De staart moet kort en smal zijn.
• De bevedering van de Norwich moet gaaf en compleet zijn, goed gevuld, glad en glanzend aansluiten aan het lichaam. Als de gevraagde kwaliteit van de bevedering wordt afgezet tegen de grootte van de vogel, dan is het duidelijk, dat meer dan normale aandacht aan de bevedering moet worden geschonken. De bevedering van de Norwich is lang,langer dan die van bijvoorbeeld een kleurkanarie.
• Daarnaast wordt die
• lange bevedering nog eens beïnvloed door het wel of niet intensief zijn van de vogel. Een niet-intensieve Norwich heeft een langere bevedering, maar deze is vaak ook zachter van constructie dan de lange bevedering van een intensieve vogel.
Wil de kweker voldoen aan de kwaliteitseisen die aan de bevedering worden gesteld, dan moet worden voorkomen, dat teveel met schimmelvogels onderling wordt gekweekt. De normale kweekmethode is uit te gaan van een combinatie intensief x schimmel. Het te ver doorvoeren van schimmel x schimmel zal leiden tot het ontstaan van een zeer zachte lange bevedering, waarbij de kans op het ontstaan van de z.g. lumps alleen nog maar zal toenemen.
• De grootte van de Norwich bedraagt (volgens de standaardeisen van de NbvV) 16 cm, gemeten vanaf de punt van de snavel tot aan het eind van de staart. Internationaal is een grootte van 16,5 cm vastgelegd.
• De houding is halfopgericht, ongeveer onder een hoek van 45 graden ten opzichte van de zitstok. De pootjes moeten kort zijn met niet zichtbare dijen. Ze staan in rusthouding iets uit elkaar.
• De conditie van de vogel moet uiteraard gezond zijn met een niet-beschadigde, schone bevedering. De kleur van de bevedering is niet voorgeschreven. Opmerkelijk is wel, dat de Norwich in Engeland als eerste ras kleurvoedsel kreeg toegediend, waardoor een oranjekleur in de bevedering ontstond. Tegenwoordig zien we dit in meer postuurkanarierassen.
Behalve een beschrijving van de uiterlijke kenmerken is het voor iedere Norwich liefhebber belangrijk, te weten, hoe het gedrag van deze vogel is. Hiervoor is echter niet een algemeen geldende beschrijving te geven, maar gesteld kan worden, dat de Norwich door zijn grote en toch wat plompe lichaam niet direct behoort tot de meest levendige vogels. Veel Norwich kwekers zien dit terug in het broedseizoen en zoeken hun toevlucht tot een aantal handelingen, die bij andere rassen niet altijd nodig zijn:
• Om de bevruchting te bevorderen wordt voor het broedseizoen de lange bevedering rond de cloaca verwijderd. De algemene klacht is daarna vaak, dat de legsels niet compleet zijn: 2 eieren in een nest zijn meer regel dan 4 eieren. Belangrijk bij de Norwich is, dat men als kweker het geduld opbrengt, te wachten tot de vogels echt broedrijp zijn. Dit kan wat later in het seizoen zijn dan bij andere postuurkanarierassen. (Vaak is de eigenaar eerder broedrijp dan zijn vogels).
• Als er eenmaal eieren zijn gelegd en ze zijn bevrucht, dan is de Norwich niet een slechte broedvogel. Het probleem begint vaak bij het uitkomen van de eieren. De jonge vogeltjes, zeker als het er maar twee zijn, zien geen kans de zware pop duidelijk te maken, dat ze moet gaan voeren, waardoor de jongen spoedig bij gebrek aan voedsel zullen afsterven. Het gevolg is vaak, dat Norwich poppen hierdoor nauwelijks een voederinstinct opbouwen.
• Als in de praktijk enige malen is voorgekomen, dat de Norwich niet goed de jongen voert, dan wordt al snel de toevlucht genomen tot het inschakelen van pleegouders. Dit kunnen andere, kleinere postuurrassen of bijvoorbeeld kleurkanaries zijn. Het voordeel is, dat de Norwich eieren goed worden uitgebroed en de jongen optimaal worden gevoerd, maar door het gebruik van die pleegouders zal het voederinstinct van de Norwich nog verder afnemen.
Door gericht te kweken op het gedrag van de Norwich is het evenwel goed mogelijk gebleken, een zodanige stam op te bouwen, dat bovenstaande problemen zich nauwelijks meer voordoen en de Norwich bij vele liefhebbers geen probleemvogel meer is.
Gelet op de grootte van de vogel is het noodzakelijk, ook de huisvesting hierop aan te passen. Zeker de afmetingen van bijvoorbeeld de broedkooi moeten wat groter zijn dan die van een kleurkanarie. Daarnaast is het belangrijk, dat de vogels, zeker tijdens de rustperiode, de beschikking hebben over ruime vluchten, waarin zij goed kunnen vliegen. Mede gelet op de kwetsbaarheid van de bevedering, blijkt in de praktijk, dat de Norwich niet in onverwarmde vogelverblijven wordt gehouden. Dit heeft een aantal voordelen, maar als de verwarming wordt gebruikt om eerder met het broedseizoen te kunnen beginnen, dan ontstaan toch de reeds genoemde problemen rond het broedrijp worden van de vogels.
De grootte van de vogel en de eisen die aan de bevedering worden gesteld hebben ook hun invloed op de voeding van de Norwich. Immers, vanuit de verstrekte voeding moeten alle bouwstoffen en de daarbij behorende energie worden opgebouwd. Het is daarom van het grootste belang, dat een uitgebalanceerd voedselpakket wordt samengesteld. Diverse voederfabrikanten brengen daarom zaadmengsels op de markt die speciaal zijn afgestemd op de behoeften van postuurrassen. Aangevuld met een kwalitatief goed zachtvoer en / of voedingssupplementen, kan de meeste problemen het hoofd worden geboden en zal blijken, dat het houden van Norwich-kanaries niet direct het eenvoudigste, maar zeker een boeiend facet is van het houden van postuurkanaries.
Tekst: H.K.van der Wal.
Kleurselectie kweek bij parkieten.
Kleurselectie, het woord zegt het al, het selecteren op de kleur van parkieten, om zodoende een bepaald kleurkenmerk in een vogel te kweken. Er zijn een aantal soorten parkieten waarbij dit wordt gedaan.
Een er van is de roodrug parkiet en vooral bij de opaline mutatie wordt dit gedaan, om de vogel zo veel mogelijk rood te laten tonen. Ook bij de rubino is dit het geval. Vogels met zoveel mogelijk rood worden tegen elkaar gepaard om zo een vogel te kweken die nog meer rood toont en uiteindelijk zal er vanzelf een rode vogel komen. Kweek hier dan nog weer cinnamon in en je hebt een oranje roodrug parkiet. Deze vorm van selectief kweken is momenteel zeer ver gevorderd.
Een tweede soort waarbij het selectief kweken op de kleur zeer in trek is, is de veelkleuren parkiet. Deze wordt gekweekt met zoveel mogelijk rood in de broek ( de onderbuik ).Deze vorm van selectief kweken is begonnen in België en men is daar begonnen met een aantal vogels die van zichzelf al een beetje rood lieten zien. Men heeft deze toen steeds weer tegen andere vogels gepaard die ook rood lieten zien en zodoende heeft men in 15 jaar tijd bereikt, wat we nu de veelkleuren met rode broek noemen. Het is bij deze vorm van selectief kweken van groot belang dat zowel de man als de pop een diep rode broek hebben, om zo ook een mooie egale kleur terug te kweken bij de jongen. Zou men kweken met een gewone man tegen een roodbuik pop dan krijgt men jonge vogels die hier en daar een rode vlek hebben en er redelijk slordig bont uitzien.
Bij deze selectie kweek is de man van doorslaggevend belang voor de hoeveelheid rood. De poppen zien er altijd het mooist rood uit, maar de man is bepalend voor de hoeveelheid rood, de pop geeft alleen maar het formaat door en moet wel een rode broek hebben om dit door te geven, maar de hoeveelheid rood is niet van belang, dit wordt bepaald door de man. Er zijn inmiddels veelkleuren gekweekt die volledig rood gekleurd zijn, dit zijn altijd poppen, omdat deze het rood het beste tonen. De laatste bij mij bekende soort waarbij er selectief op de kleur wordt gekweekt is de redvented bleubonnet. Deze wordt, net als de veelkleuren, gekweekt om er zoveel mogelijk rood in te kweken. De gehele buik wordt rood en in sommige gevallen is ook de rug voor 80% rood gekleurd.
De kweek en de eisen aan de kweek zijn hetzelfde als bij de veelkleuren en heeft bij een aantal kwekers al zeer mooie vogels opgeleverd, met een dieprode bevedering op de buik en borst en zelfs de rug. Zeer mooie vogels………
Met vriendelijke vogelgroeten,
Jeroen de Roo
Raza Española.
Tot de internationaal wat minder bekende, maar gelukkig wel steeds populairder wordende postuurkanaries, behoort de Raza Española. In het land van herkomst, Spanje dus, is het altijd al een geliefd kanarieras geweest. Dit blijkt ondermeer uit zijn aanwezigheid op het afgelopen Spaans Kampioenschap, zo´n 200 enkelingen en 50 stammen. De Raza is reeds sinds de oprichting van de COM in 1956 een erkend ras. De standaard geeft aan dat deze kleine vogel niet meer dan 11.5 cm mag meten, kleiner is goed, groter dus niet. Juist in Nederland en België wil je nog wel eens (te) forse exemplaren tegenkomen. De Raza dient een houding te hebben die horizontaal loopt in een hoek van 45º. Ondanks zijn beperkte formaat is het zeker geen schuw vogeltje, dat mag hij ook niet zijn. Integendeel, een goed exemplaar dient nieuwsgierig, levendig en attent te zijn. Ik heb er eens een aantal op het hok gehad en binnen een paar dagen zijn ze volledig aan je gewend. Op oranje en rood na zijn alle kleuren toegestaan. Het meest tref je ze echter aan in geel, groen of wit. Daarnaast is het zo dat op shows ingebrachte vogels voor 99% uit intensieve exemplaren bestaan. Niet verwonderlijk, omdat een korte en nauw gesloten bevedering de fijne contouren van het lichaam positief beïnvloedt. De intensieve exemplaren zullen dan ook het meest de ideale lijn benaderen. Belangrijk is dat de staart duidelijk in een V-vorm eindigt.
Qua verzorging is het geen lastige of gevoelige vogel. Het levendige gedrag van de vogel brengt met zich mee dat hij graag veel eet. Hierin schuilt direct het gevaar. Om te voorkomen dat de vogel te fors en/of vet wordt, dient deze bijna permanent op dieet gezet te worden. Overdaad schaadt, vooral bij de Raza. Het seksen van de vogel is niet eenvoudig en vereist wat ervaring. In zijn algemeenheid kun je zeggen dat de man iets groter is, wat intensiever is qua kleur en een forsere kop heeft. Anders is het wachten op het moment van zingen van de man. Voor de kweek (een kooi van 40x40x30 cm is voldoende) hanteert men bij voorkeur de volgende koppelingen: - intensief x schimmel of intensief x half intensief Bovendien dient altijd het formaat in de gaten gehouden te worden. Probeer geen gebruik te maken van vogels groter dan 12 cm. Mocht een fors exemplaar vanwege andere goede eigenschappen toch ingezet worden, koppel deze dan aan een kleine vogel. Wat mij betreft is de combinatie houding/formaat hetgeen wat dit ras qua uiterlijke kenmerken zo aantrekkelijk maakt.
Robert
Met goedkeuring van
www.birdweb.nl geplaatst door Willem Wijkhuizen
Een verstandige vogel eet geen reuzel
Helaas lees en hoor ik nog te vaak dat menige, zelfs ervaren, vogelliefhebber aanraadt om vogels reuzel te verstrekken. Op een website van een van de speciaalclubs (zaadeters) werd er bij vermeld dat ze er gek op zijn! In een clubblad van een vogelvereniging las ik dat er kanariekwekers zijn die reuzel aanbevelen omdat het goed voor de kleur en glans van de veren zou zijn, vanwege de vitamine A die erin zit. Een blik in de voedingsmiddelen tabel (ref.1) leert dat reuzel puur vet is (100%) en dat het GEEN vitamine A bevat, wel een beetje vitamine D! Je hoort wel vaker zogenaamde wijsheden en/of gebruiken, die als je ze inhoudelijk bekijkt, vaak gewoon flauwe kul blijken te zijn.
Je vraagt je dan ook af waar zo’n idee dat reuzel zo goed zou zijn vandaan komt? Misschien vanwege het feit dat de vogels in de tuin vetbollen krijgen aangeboden. Het is me niet bekend wat zo’n vetbol precies bevat, dus kan ik daar ook weinig over zeggen. Wel is het zo dat die vetbol meestal als een soort noodrantsoen dient voor de vogels als het buiten barre winterse omstandigheden zijn. Zouden die buitenvogels langere tijd van puur vet moeten leven dan zouden ze zeker ziek worden. Tussen haakjes, onze kostbare vogeltjes zitten gewoonlijk niet in barre winterse omstandigheden!
Tegenwoordig wordt er zelfs luxe vogelvoeding voor buiten aangeboden, die het hele jaar door kan worden verstrekt. Zo biedt Versele-Laga een “Menu Nature” aan dat verrijkt is met vitamines, aminozuren en mineralen. Dat is andere koek dan de pure vetbol! Zo’n voeding verschaft de vogels een complete voeding en dat is waar ze behoefte aan hebben.
Het idee dat de veren meer glans zouden krijgen van extra vet is ten dele waar. Het gaat echter niet om de hoeveelheid vet doch vooral om de soort vetten. Zo blijkt lijnzaad wel de glans van de veren te verhogen. Wellicht komt dat door de soort vetten die in lijnzaad zitten. Lijnzaad bevat o.a. hoge concentraties van de , ook voor de mens gezonde, omegavetzuren. Blijkbaar bevatten andere bekende olierijke zaden hier minder van. Andere olierijke zaden zijn o.a. koolzaad, raapzaad, hennep, negerzaad, maanzaad, sesamzaad, saffloerzaad, zonnebloemzaad en pompoenzaad.
Hieronder zal ik proberen te beargumenteren waarom het verstrekken van puur vet niet gezond is. De hoeveelheid voeding die een vogel nodig heeft kun je uitdrukken in de energie die een vogel dagelijks nodig heeft voor zijn onderhoud en beweging. Een oude maat voor energie is de calorie of kilocalorie (kcal). Voedingsstoffen die kcal leveren zijn eiwitten, vetten en koolhydraten.
Om energie te kunnen leveren moeten die voedingsstoffen worden verteerd en daar zijn hulpstoffen voor nodig. Dat zijn de vitamines, mineralen en sporenelementen. Een complete voeding bevat dus in ieder geval genoeg van deze hulpstoffen die een volledige vertering en stofwisseling van eiwitten, vetten en koolhydraten mogelijk maken. Dat is heel in het kort door de bocht gezegd waarom een voeding compleet dient te zijn.
Een complete voeding bestaat uit rond de 50 verschillende stoffen, als we al die verschillende voedingsstoffen, zoals eiwitten, vetten, koolhydraten, mineralen, vitamines en sporenelementen zouden optellen. Indien de door ons verstrekte voeding een tekort heeft aan een of meer van die voedingsstoffen, zal dat uiteindelijk tot ziekteverschijnselen leiden. Voor de ene voedingsstof zal dat sneller zichtbaar zijn dan voor de andere voedingsstof. Van sommige voedingsstoffen heeft de vogel (en de mens) een grotere voorraad dan van andere.
Zo worden bijvoorbeeld de vetoplosbare vitamines A, D, E en K in de lever opgeslagen en fungeren dan als een soort buffervoorraad. Daarom is het nodig dat zaadeters in ieder geval enkele keren per week ei of eivoer krijgen voor het aanvullen van hun voorraden vitamines A en D. Er is trouwens helemaal niets op tegen om elke dag ei of eivoer te verstrekken tijdens de rustperiode. Waarom niet elke dag compleet eten?
De voorraad wateroplosbare vitamines B en C beperkt zich vooral tot de in het bloed aanwezige hoeveelheid. Daarom moeten deze vitamines elke dag in voldoende mate met het voedsel worden aangevuld. Zoals bekend maken vogels, in tegenstelling tot de mens, zelf vitamine C. Er zijn enkele uitzonderingen in de vogelwereld. Een daarvan is de roodoorbuulbuul heb ik ooit ergens gelezen. De twee andere vogelsoorten die genoemd werden ben ik helaas vergeten.
Na deze zeer beknopte uiteenzetting over basiskennis van voeding, gaan we verder met de reuzel. Zoals gezegd, is reuzel puur vet en bevat geen vitaminen, behalve wat vitamine D. Het is in feite “lege energie”, of anders gezegd “lege calorieën”. Een ander bekend voorbeeld van lege energie is pure suiker. Het woord leeg slaat op het feit dat puur vet en pure suiker alleen calorieën bevatten, doch geen hulpstoffen zoals vitamines, sporenelementen en mineralen.
Toch zijn die hulpstoffen nodig voor een complete stofwisseling van vetten en suiker. Een praktisch voorbeeld (ref.2) ter illustratie. Indien we een snee witbrood met boter besmeren en hierop suiker doen, dan bevat deze zoete lekkernij niet voldoende vitamine B1 om het geheel te kunnen veteren! Dat komt omdat witbrood veel minder vitamine B1 bevat dan volkorenbrood, terwijl vetten en suiker helemaal geen vitamine B1 bevatten. Indien we als mens per dag een zo’n lekkere zoetigheid zouden nuttigen hoeft dat nog geen probleem te zijn, omdat deze lekkernij slechts een gering deel is van ons dagelijks menu.
Anders wordt het indien een groot deel het menu bestaat uit voedingsstoffen die slechts lege energie bevatten, zoals puur vet en suiker. Zo’n situatie zou kunnen ontstaan indien we reuzel verstrekken. Omdat al dat vet wel verteerd moet worden zal er een groot beslag worden gelegd op vooral de kleine voorraad B-vitamines in het lichaam, die voor de vertering noodzakelijk zijn. Het gevolg kan zijn dat de vogel ziekteverschijnselen gaat vertonen die terug te voeren zijn op B-vitamine gebrek. Een van die verschijnselen is duizeligheid als gevolg van vitamine B1-tekort.
Een vergelijkbaar verschijnsel kun je zien bij insectenetende vogels die veel meelwormen of ander tamelijk vette voedseldieren krijgen, zoals morio’s en wasmotlarven. Dat ontstaat echter alleen indien de meelwormen niet een geschikte voeding hebben gehad of niet bepoederd zijn met een vitamine/mineralen preparaat. Met nadruk zei hier vermeld dat vogels heel goed in conditie kunnen blijven indien ze alleen meelwormen zouden eten, maar dan wel meelwormen die een compleet voedsel zijn. Let wel, commerciële meelwormen zijn door de wijze van productie nooit een compleet voedsel!
Een gebrek aan vitamines is slechts een van de problemen die het gevolg kunnen zijn van (teveel) vet en suiker. Een vogel heeft per dag slechts een bepaalde hoeveelheid kcal nodig voor onderhoud en beweging. Voor een vogel ter grootte van een kanarie is dat ca. 20 kcal, afhankelijk van de grootte van de ruimte en de omgevingstemperatuur. Een enkele gram vet levert al 9 kcal, hetgeen zowat de helft is van zijn dagelijkse energie behoefte. Kortom wees zuinig met het verstrekken van “lege” energie, zoals vet en suiker. Een gram suiker levert trouwens ca. 4 kcal.
Een vogel zal meestal intuïtief aanvoelen wanneer hij voldoende heeft gegeten. Een belangrijk criterium is het aantal kcal. Andere zaken die een rol spelen bij de hoeveelheid voedsel die ze opnemen zijn o.a. de hoeveelheid onverteerbare voedseldelen, zoals voedingsvezels, het volume van het voedsel en het watergehalte.
Verstrekken van voedsel dat veel water bevat zou dus een manier kunnen zijn om vervetting tegen te gaan. Denk daarbij aan bladgroenten en fruit die rond de 85% water bevatten.
Het zou me niet verbazen als een vogel zelfs geneigd is meer te eten van een hoog energie rijk voedsel, zoals reuzel, omdat de vogel intuïtief zal aanvoelen dat hij voedingsstoffen mist! Hij zal dus de neiging hebben om te blijven eten. Van nature eet een vogel wat hij nodig heeft, doch in een kooi is het aanbod niet altijd compleet en de variatie beperkt. Dat zou tot vervetting en dus een gedwongen , aangeleerde ongezonde eetgewoonte kunnen leiden.
Mijn advies is om het aandeel lege energie (puur vet, pure suiker) in het aangeboden voedsel te minimaliseren, of gewoon achterwege te laten. Zelf probeer ik het goede voorbeeld te geven, want ook al mijn zaadeters kunnen dagelijks kiezen uit droog universeelvoer, zelfgemaakt hoogwaardig eivoer en pinkys, naast een gevarieerde zaadmengeling. Ik moet er wel aan toevoegen dat ik met de meeste van mijn zaadeters niet serieus kweek. Behalve dan met de kardinalen, die toch ook eigenlijk zaadeters zijn.
Ger Tummers
Geslacht bepaling bij Japanse Meeuwen
Tijdens de afgelopen kerstshow was er in de vogelverkoop een 3 tal Japanse meeuwen te koop. 1 man , 1 pop en 1 vogel onbekend wat daarvan het geslacht was. Maar wie wat was, had de eigenaar niet vermeld en dat is niet handig van een soort waarvan je aan de vogel aan het uiterlijk niet kan zien wat een man of een pop was. Ik zeg niet wie de eigenaar /verkoper van de vogels was want Andre’ Stienstra zou daarmee gepest kunnen worden.
Toen er een koper kwam die 2 popjes zocht zei ik dat ik niet de zekerheid kon geven dat hij ook daadwerkelijk twee popjes zou krijgen.
Maar er was ook nog iemand aanwezig die de tip van het jaar had.
Hij vertelde het volgende,Je moest de Japanse meeuw aan beide pootjes vastpakken en dan laten hangen. De pop zou dan stil blijven hangen en de man zou beginnen te fladderen
Foto van pop die stilhangt
foto man die fladdert
Zo hebben wij de proef op de som genomen de eerste 2 vogels bleven doodstil hangen dat moesten dus poppen zijn. De koper dus tevreden want dat was het gene wat hij zocht. Er moest dus een man overblijven die we uit konden testen en zowaar die begon meteen te fladderen.
Later hebben we het bij nog een paar vogels gedaan waarbij de eigenaar zeker het geslacht wist en ook dat pakte goed uit. Nu geeft dit denk ik geen honderd procent zekerheid en moet je ook rustig je hand weg halen en niet plotsklaps zo dat de vogel denkt dat hij valt. Maar in ieder geval geeft deze test een eerste keus op de selectie die we maken.
Willem Wijkhuizen
Ervaringen met de Agapornis canus
De Agapornis canus is veel minder bekend dan soorten als de roseicollis, de personata en de fischeri. Hij heeft de naam schuw en zenuwachtig te zijn en ook de kweekresultaten zouden minimaal zijn. In mijn ogen is dit niet terecht en ik wil daarom in deze bijdrage graag mijn ervaringen met de canus beschrijven, in de hoop dat meer mensen overgaan tot het kweken van deze prachtige vogeltjes. Misschien kunnen we op die manier de import van wildvang volledig uitbannen.
De agapornis canus is een van de kleine soorten agaporniden. De lengte van een volwassen vogel is ongeveer 14 cm. Net als bij de taranta is ook bij de canus het mannetje duidelijk van de pop te onderscheiden. Het popje is bijna helemaal groen, maar de man heeft een grijze kop, nek en borst, en de onderkant van de vleugels is zwart. Een witte oogring ontbreekt. Oorspronkelijk komt de canus van Madagaskar, waar twee ondersoorten bestaan: de nominaat vorm canus en de ablectaneus. Het groen van deze laatste oogt wat minder geel en het grijs van de kop heeft een ietwat violette gloed. Ik heb nog niet gehoord of gelezen dat het onderscheid tussen de beide ondersoorten in de avicultuur in stand is gehouden. Waarschijnlijk heeft met het kweken vermenging plaatsgevonden. De geluiden van de canus zijn de typische agapornis geluiden die we allemaal kennen, zoals het gezellige keuvelen onderling en het opgewonden schorre schreeuwen bij onraad. Alleen het volume is iets minder dan bij de grotere soorten. Zoals ik al schreef hebben cana's de naam vrij zenuwachtig en wild te zijn. Misschien ligt dit in de aard van het beestje, maar voor een deel zal ook de benadering van de vogels hieraan debet zijn. Wat bij mij goed werkt om de boel rustig te houden, is je handelingen (voeren, schoonmaken, nestcontrole etc.) kalm en doelbewust uit te voeren, waarbij je de cana's negeert. Al stuiteren ze alle kanten op, je moet nergens op reageren en gewoon rustig doorgaan. Na een tijdje zul je merken dat ze gewoon blijven zitten. Pas als ik klaar ben met mijn werkzaamheden, ga ik contact maken, door met ze te praten e.d. Het spreekt voor zich dat iedere vogelhouder zo goed mogelijk voor zijn dieren zorgt. De belangrijkste factoren hierbij zijn voeding en huisvesting.
Ik voer mijn cana's het hele jaar door Harrison's pellets, fine grind. In de rustperiode half om half adult lifetime en high potency. Jonge vogels krijgen het eerste jaar alleen maar high potency. Elke dag krijgen alle vogels vers (bron)water, een keer per week aangezuurd met wat appelazijn (15 ml op 1 liter water). Ik gebruik altijd meerdere voerbakjes als vogels samen in een kooi zitten, ook al is het een koppel. Zo voorkom je dat een dominante vogel (ook een partner) andere vogels verhindert goed te eten. Tot dit jaar hield ik mijn vogels binnen in Van Keulen kooien van 120 bij 50 cm. Als verlichting gebruikte ik een Truelite en een gewone tl-buis. Ook al hoefde ik mij niet te schamen voor de grootte van de kooien, die ruimer waren dan wat elders als acceptabel wordt beschreven, werd ik steeds minder gelukkig met deze huisvesting. Dit kwam doordat ik zag hoe mijn Ecuadoramazones veranderden toen zij eindelijk in hun buitenvolière konden, na anderhalf jaar binnen te hebben gezeten. Niet alleen werd hun verenkleed veel sprankelender, ook hun lichaam werd forser en krachtiger. Ik vond eigenlijk dat er geen reden was om mijn agapornissen dit te ontzeggen. Daarom heb ik besloten mijn kweekkooien op te ruimen en ook de agaporniden de mogelijkheid te geven naar buiten te gaan. Zij zitten nu in binnenkooien van 80 bij 80 bij 40 cm, gemaakt van trespa, en via een sluis kunnen ze naar hun buitenkooi met de afmetingen 120 bij 200 bij 50 cm. Ze kunnen nu ook gebruik maken van de regen om te baden, want dit doen ze maar hoogst zelden in een badhokje. Het binnenhok is overigens wel verwarmd tot 12 ºC. In de kooien heb ik geen vaste zitstokken aangebracht. Na het schoonmaken steek ik een paar verse wilgentaken in een koker die ik aan de wand heb bevestigd. Deze dienen als zitplaats en speelmateriaal (al moet ik zeggen dat de canus niet veel aan de takken knaagt).
Het is mijn streven te kweken met alle vogels die ik heb. Om goede kweekresultaten te bereiken moet de verzorging optimaal zijn. Hierbij doel ik niet alleen op de verzorging zoals beschreven in de vorige paragraaf, maar ook op specifieke zaken die te maken hebben met het broeden, het volwassen worden van jonge vogels en dergelijke. Men kan de kweek zien als een cyclus van broeden > jongen > opgroeien > broedrijp zijn > koppelen > broeden enzovoorts. Ik vind dat het koppelen een goed punt is om te beginnen.
De canus is op een leeftijd van een jaar zo’n beetje broedrijp. Ook al is het waarschijnlijk goed mogelijk hen op jongere leeftijd te laten kweken, ik denk dat het verstandiger is te wachten tot ze echt volwassen zijn. Daarom geef ik ze ik nooit eerder een broedblok dan wanneer ze een jaar oud zijn. Het is een illusie te denken dat iedere willekeurige man geplaatst bij een willekeurige pop een goed kweekkoppel zal vormen. Ik geef daarom poppen de kans een man uit te zoeken. Hiervoor heb ik een speciale kooi gemaakt die bestaat uit drie delen, van elkaar gescheiden door gaas. Over de lengte van de kooi is een lange stok bevestigd (die dus door alle drie delen loopt). In de middelste kooi zit dan de pop met aan weerskanten een man. Na een paar dagen is al duidelijk te zien welke man de voorkeur geniet. (Je hoeft alleen de hoopjes poep te bekijken die onder de stok liggen. Je zult zien dat dit vooral aan een kant is). Het popje zit het liefst naast de favoriete man. Mocht er geen duidelijke voorkeur zijn, dan vervang je de twee mannen, waarna de pop opnieuw kan kiezen. Dit heb ik trouwens nog nooit meegemaakt.
Het broedseizoen ligt voor de canus meestal in de winter, van oktober tot maart. Ik wil proberen dit te laten opschuiven naar februari tot juni, zodat de jongen lekker in de zomer kunnen uitgroeien. Als het broedseizoen nadert kan het broedblok worden geplaatst. Na korte tijd beginnen de cana’s het blok te verkennen en zullen ze zich voorbereiden om te gaan nestelen. Bij mij hebben de cana's tot nog toe gebroed in standaard Van Keulen parkietenblokken. Ik laat hierin wel het tussenschot zitten, zodat je dus een voorportaal hebt en de eigenlijke broedkamer. Op deze manier is de nestkamer mooi donker. Cana's zijn nogal kieskeurig wat betreft nestmateriaal. Ik doe daarom altijd een bodem van beukensnippers en "zelfgeschraapte" wilgenschors in de broedkamer. Het popje bouwt hierop dan haar eigen nest, voor zover je daarvan kunt spreken. Een handige manier om zachte wilgenschors te maken is met behulp van een ouderwetse puntenslijper, zo een die je vast kunt zetten op het tafelblad. Je steekt hierin een wilgentak met de dikte van een potlood en slijpt hier een punt aan. De punt breek je af, waarna je opnieuw gaat slijpen. Wat je als slijpsel overhoudt is lekker zacht, droog materiaal.
Cana’s knagen bij mij nooit wilgenschors e.d. als nestmateriaal, maar ze hebben een voorkeur voor wat dikke, stevige bladeren, zoals laurierkers en rododendron. Daarnaast gebruiken ze ook krantenpapier. Het popje snijdt hiervan halfronde boogjes af en transporteert dit vervolgens naar het nest, door het in haar rug- en stuitveren te steken (net als de roseicollis). In combinatie met de spullen die ik al in het blok had gedaan, ontstaat dan een redelijk nest. Zou je zelf niet voor wilgenschors e.d. zorgen dan drogen de bladeren uit tot harde stukken, die vrij scherp kunnen zijn. Dit lijkt mij niet echt geschikt voor de jongen (gevaar van snijden, maar ook weinig grip voor de poten, zodat misschien spreidpoten kunnen ontstaan). Tijdens het broeden is een hoge luchtvochtigheid nodig. Dit mag gerust zo'n 80% zijn. Het broeden duurt zo'n drie weken, vanaf het moment dat de pop daadwerkelijk gaat zitten. Met name het vrouwtje is behoorlijk agressief tijdens het broeden en de opfok van de jongen. Ze maakt zich dan zo groot mogelijk en laat een woest blazend, schurend geluid horen.
Ik voer altijd nestcontrole uit, vanaf het moment dat ik het broedblok heb gegeven. Ik probeer dit iedere dag te doen. Ik heb nog niet meegemaakt dat hierdoor een nestje is mislukt. Ik trek het blok een stukje buiten de kooi en licht dan het deksel op. Meestal zit de pop vreselijk te blazen en zal ze pas na enige tijd het voorportaal in gaan, waarna je de eieren en jongen kunt bekijken en ringen. In mijn ogen is het een voordeel dat je dit soort blokken rustig kunt verschuiven en de pop altijd een mogelijkheid heeft weg te komen, zonder dat zij jou hoeft te passeren of in jouw richting moet komen. Hoe nestcontrole uitpakt als je het blok ergens af moet halen en van boven in het nest kijkt, terwijl de pop ook omhoog moet om te ontsnappen, weet ik natuurlijk niet.

De jongen blijven zo'n zeven weken in het nest. Het ringen doe ik tussen de 8e en 11e dag met 4.0 mm ringen. Het geslachtsverschil is meteen in het nest al te zien. De mannetjes hebben een grijze kop (weliswaar nog niet zo uitgebreid als bij een volwassen man) en de vrouwtjes zijn helemaal groen. Vaak begint het koppel een tweede ronde en dan is het zaak de jongen van de eerste ronde uit te vangen, zodra ze volledig zelfstandig zijn. Anders heb je kans dat ze worden opgejaagd met alle gevolgen van dien. Ik laat een koppel nooit meer dan twee rondes broeden. Enkele dagen nadat het laatste jong uit is gevlogen haal ik het blok weg. Op een leeftijd van 8 á 9 weken haal ik de jongen bij de ouders vandaan en zet ik ze in een aparte kooi. De ouders hebben zo de kans in alle rust een nieuw nest te beginnen. en de jongen hebben steun aan elkaar. Als de jongen 3 maanden oud zijn worden de mannen en de poppen van elkaar gescheiden. De jonge mannen komen met elkaar in een aparte kooi evenals de jonge poppen. Op deze manier voorkom je dat paren kunnen worden gevormd, die je ongewenst acht. Ik denk ook dat het beter is voor de vogels zelf, omdat zij niet met het andere geslacht worden geconfronteerd voordat zij een zekere seksuele volgroeidheid hebben bereikt. Als de vogels een jaar oud zijn (in principe is dan het broedseizoen weer aangebroken) kun je proberen koppels te vormen, zoals hierboven beschreven. De cyclus herhaalt zich.
Ik hoop dat ik een duidelijk beeld heb gegeven van mijn manier van kweken met de agapornis canus. Hoe dit in de toekomst zal gaan in de buitenvolières is de vraag, maar ik heb er alle vertrouwen in. Als er vragen zijn of als u met mij van gedachten wilt wisselen, dan ben ik graag bereid hierop in te gaan.
Mijn emailadres is
jan©psittaciformes.com Jan Doedens